Lottes last

Lotte is een spichtig meisje van twaalf. Ze woont met haar moeder, haar zusje en haar broertje in de vrouwenopvang in Groningen, waar slachtoffers van huiselijk geweld langzaam overeind opkrabbelen. Lotte wil een beter leven. Dit is haar week.

Lotte schrikt wakker. Ze droomde. Het ging over haar vader. Ze heeft hem al zeven maanden niet gezien. Soms mist Lotte haar vader. Waarom weet ze eigenlijk niet. Ze ligt op een stapelbed onder een deken met een fleurige hoes. Het kamertje heeft gele muren en op de vloer ligt oranje zeil. Haar moeder en haar kleine zusje en broertje slapen nog. Met zijn vieren delen ze twee kamertjes waarin je geen stap kunt zetten zonder tegen een bed, een muur, een tas of een deur aan te botsen. Of tegen elkaar.Lotte vindt het fijn als haar kleine zusje slaapt. Dan is ze rustig en zegt ze geen domme dingen.
Lotte is twaalf jaar oud. Die fleurige dekbedhoes is niet haar dekbedhoes. Hij is van de vrouwenopvang waar ze zeven maanden geleden naartoe gevlucht zijn. Lotte weet niet hoeveel meisjes als zij al onder de hoes hebben geslapen. Ze weet niet of die meisjes zich net zo voelden. Ze weet niet of ze allemaal nachtmerries hadden van hun vader die hun moeder vermoordt.
De vrouwenopvang aan het Martinikerkhof staat in Groningen nog bekend onder de oude naam: het Toevluchtsoord. Tegenwoordig is de opvang onderdeel van stichting Het Kopland. Het is een toevlucht voor slachtoffers van huiselijk geweld. Ze zijn vaak hals over kop vertrokken – weg van de ruzie, van het geschreeuw, van de klappen. Sommigen blijven een week, anderen meer dan een jaar. Soms komen ze terug.
Het verouderde pand heeft een zolder. Hulpverleners geven daar cursussen in moederschap, ontspanning en liefde. Soms kruipen de vrouwen er samen en kijken een lekkere film – The Sound of Music of zo – op de grote televisie. Onder het tl-licht op de zolder staat ook een bed. Daar kan een vrouw slapen als alle kamers vol zitten. Deze week is er een schuchter meisje met een baby’tje van vijf maanden.
Op de zolder maakt maatschappelijk werkster Rita het bed op. Ze is gewend om naar afschuwelijke verhalen te luisteren – laatst weer over een puberjongen die het voorbeeld van zijn vader volgde en zijn moeder mishandelde. Ze heeft ook genoeg gehoord om te weten dat de meeste vrouwen hier niet alleen maar slachtoffer zijn.
Wat Rita na twintig jaar nog steeds verbaast, is dat het bed op deze zolder zo vaak bezet is. “Het houdt nooit op”, constateert ze. “We zitten altijd vol.”
Over een paar weken heeft Lotte weer een eigen slaapkamer. Haar moeder vertelde de dag voor haar nachtmerrie dat ze een nieuw huis heeft gevonden. De opvang heeft bij de woningbouwverenigingen in de stad Groningen ’urgentie’ voor haar geregeld, zodat ze snel een plek kon vinden in deze stad waar ze niemand kennen. Terug naar hun eigen dorp kunnen ze niet meer. Te gevaarlijk.
Natuurlijk wil Lotte weer een eigen kamer. Alle gewone kinderen hebben een groot huis met mooie slaapkamers. Het is ook eng: ze moet straks alweer nieuwe vrienden maken.
Op die kamer wil Lotte een poster van boyband One Direction. Vijf superknappe jongens. Liam vindt ze de leukste. Ze tekent zijn naam in dikke, gekleurde letters en knipt ze uit. Het is een soort graffiti op papier. Dat deed ze thuis ook altijd, tekenen.
Een nieuw huis is goed nieuws. Lotte vraagt zich af waarom ze juist nu zo eng over haar vader droomt. In het kamertje met nummer 103 staart ze uit het raam over het binnenplein van de vrouwenopvang. Ze ziet het speeltoestel, de rondslingerende driewielers en stepjes, de tafeltennistafel waar nooit iemand op speelt, de herfstbladeren op de tegels. Op de houten bankjes zit haar moeder vaak te roken, net als de andere vrouwen. Ze praten, ze staren, ze maken soms ruzie omdat ze op elkaars lip zitten.
Wandelgang opvanghuis
Wandelgang opvanghuis
Maandagochtend
De lange vingers van Chantal friemelen aan haar bruine trui. Afgekloven nagels krabbelen in haar nek. Het tocht in dit kamertje en ze heeft het toch al koud door ijzergebrek. Als de maatschappelijk werkster haar iets vraagt, kijkt Chantal naar haar schoenen. Schoenen met hoge hakken, de enige die ze nog heeft.
“Heb je al iets gehoord van Menzis”, is de vraag. “Nee”, fluistert Chantal. “En over je uitkering?” Kort schudt ze haar hoofd.
Chantal en haar zoontje Tommy zitten sinds twee maanden in dit opvanghuis. Ze herinnert zich het Toevluchtsoord nog van toen ze zestien was en ze haar moeder hier bezocht. Chantal maakt zich niet druk over verzekeringen en uitkeringen. Ze maakt zich zorgen over Tommy. Het is zijn vader voor wie ze ruim een half jaar geleden vluchtte.
Nu ze hier zijn en het rustig is, gaat het beter met haar zoontje. Vrijdag hebben ze zijn zesde verjaardag gevierd. Dat was leuk. Op school kreeg hij een mooie feestmuts en hij is dolblij met zijn nieuwe paraplu. Tommy speelt graag op de kinderzolder van de opvang. Hij bonkt niet langer met zijn hoofd tegen de muur. Hij slaat zichzelf niet meer.
Ze zal zich altijd wel blijven afvragen wat hij overhoudt van het geschreeuw van zijn vader, die hem opsloot in de kast en hem klappen gaf. Elke vrijdagmiddag chat Tommy een kwartiertje via de laptop van een van de kinderwerkers met zijn vader. Dat contact doet hem goed.
Maatschappelijk werkster Krista wil weten hoe het gaat. Een vier, antwoord ze. Op een schaal van tien toch nog een flinke onvoldoende. Een week later zal ze de vraag weer krijgen en is het met een punt gestegen.
Chantal is op haar vijfde uit huis geplaatst en ging van pleeggezin naar pleeggezin. Een stil en verlegen kind op zoek naar veiligheid en geborgenheid. Die vond ze pas toen ze haar vriend ontmoette, de vader van Tommy. Een zelfverzekerde man die haar kon beschermen.
“Wat is je wens?”, vraagt de maatschappelijk werkster aan het einde van het spreekuur. Na een lange stilte kijkt Chantal op. Eigenlijk voor het eerst. “Ik wil een keer normaal slapen. Zonder slaappillen.”
Lotte lijkt een heel gewoon twaalfjarig meisje. Een sprietige verschijning met lange haren. Ze draagt hippe sportschoenen, skinny jeans, een jas met bontkraag. Gewone twaalfjarige meisjes hebben veel vriendinnen en zitten op streetdance of zo. Lotte kan hier alleen maar eten, computeren, rondhangen en slapen. Als ze in haar eigen dorp een vriendin opzoekt, mag ze niet naar buiten. Als haar vader haar ziet, wordt hij vast boos. Het is hier niet leuk. Wel veilig.
Als Lotte naar buiten wil, moet ze langs een camera. Ze hangen bij alle uitgangen. Bij de oude grote bruine deur die uitkomt op de grote oude gang met versierde plafonds. Bij de glazen deur van de receptie waar altijd iemand zit – ook ’s nachts. En bij de fietseningang.
Overal hangen briefjes met regels. Hoe laat het eten klaar is, wie moet schoonmaken, hoe laat de kinderen naar bed moeten, waar je schone handdoeken kunt halen, of je de deur goed achter je dicht wilt doen, dat de kinderen niet van de trapleuning mogen glijden. Eén tekst heeft Lotte al zo vaak gelezen dat ze hem kan dromen: Vandaagisdeeerstedag van de rest van je leven. Geen zorgen voor morgen. Leven is het meervoud van lef.
De kinderen glijden de hele dag van de trapleuning. Ze hebben pret. Ze rennen door de gangen. Lotte ziet ze gaan als ze met haar nieuwe vriendin Hilde rondhangt in het trappenhuis en roddelt over de andere pubers in het huis. Ze grinniken om een klein jongetje dat om hen heen draalt en duidelijk diep onder de indruk is van Lotte.
Een buitenlandse dame met hoofddoek en een plastic tas vol fruit van de markt schuifelt voorbij. Ze kijkt niet op of om. Een iele jonge vrouw schiet als een schim de trap af, verstopt in een lange gewatteerde zwarte jas. Haar oog is nog blauw. Lotte en Hilde hebben gehoord dat ze al drie kinderen heeft. Ze ziet er nog uit als een meisje.
De hoogzwangere vrouw die op weg is naar de wasmachine was net zo oud als Lotte toen ze tegen haar moeder zei: “Nu gaan we hier weg.” Weg van haar alcoholverslaafde vader, naar het Toevluchtsoord. Twaalf jaar later is ze zelf gevlucht voor haar drugsverslaafde vriend. Ze begrijpt haar moeder nu beter. Als meisje van twaalf weet je niet hoe verliefdheid voelt.
“Al die trappen”, zucht een vrouw van in de vijftig die naar boven klimt. “We krijgen hier wel de mooiste benen van het noordelijk halfrond.”

LottesLast5

Op de gang trippelt peuter Lindsey maandagmiddag rustig op Rita af. Haar blik is gericht op het been van de ervaren maatschappelijk werkster. Ze duwt eerst haar neus tegen het been en zet dan haar tanden erin. Rita glimlacht en weert haar zachtjes af. Ze aait even over de arm van het meisje om te laten zien dat je ook zonder agressie aandacht kunt geven.

Lindsey is een peutermeisje met rode krullen en een roze winterjas aan. Onder de capuchon schieten haar ogen vuur. Ze slaat Rita en knuffelt dan snel haar moeder. “Dat bijten is nieuw”, zegt Lindsey’s moeder Natasja tegen Rita als ze even later in een spreekkamer zitten. “Schreeuwen en slaan was bekend.”
Terwijl Natasja vertelt over de ruzies met de vader van Lindsey – ’hij geeft een tik, ik geef een tik terug: ik laat me niet slaan’ – probeert het meisje een suikerpot van tafel te graaien, een telefoon van tafel te trekken en de zorgovereenkomst die haar moeder moet ondertekenen vol te krassen. Als ze haar zin niet krijgt, krijst ze oorverdovend. Haar moeder schiet vol. “Ik kan er niet tegen. Dat geschreeuw.”
Lindsey heeft nu de hoorn van de telefoon te pakken. Ze houdt hem bij haar oor en zegt: “Papa? Papa? Papa!” Ze geeft een kusje op de telefoon en brabbelt iets. “Het klinkt als: ik hou van je”, zegt Rita.
Hij is een leuke vader, vertelt Natasja. Hij speelt zo graag met Lindsey. Natasja heeft medelijden met haar ex, ze houdt nog van hem. “Het is toch ook erg? Dat hij vroeger aan een stoel werd vastgebonden omdat hij niet stil kon zitten.” Rita knikt en stelt dan de vraag: “Hoe leuk is een vader die de moeder van zijn kind slaat?”
Natasja kijkt naar de grond. Hier in de opvang dringt het pas door dat de ruzies haar dochter hebben geleerd dat agressiviteit normaal is. Ze is blij dat ze in Groningen is. Blij dat ze eindelijk hulp krijgt. Ze recht haar rug. “Hij zegt altijd: mijn vader heeft me verpest. Ik zeg nu tegen hem: ik laat Lindsey niet verpesten.”
De eerste keer dat haar vader Lotte een blauw oog sloeg was ze negen. Waarom hij dat deed weet ze niet meer, vast iets doms. Dat was het meestal. Dan ging er iets mis en had zij het gedaan. Thuis kwam ze nauwelijks haar slaapkamer uit. Behalve dan voor het eten. Soms vluchtte ze naar haar vriendin of naar haar nichtje.
Die vriendin stond erbij. De laatste keer sloeg haar vader haar moeder zo hard dat ze een klaplong kreeg. Daarna vluchtten ze naar de opvang. Soms houdt Lotte het niet meer vol in kamer 103. Dan heeft ze ruzie met haar moeder. Of met haar zusje. Dan schreeuwt ze: “Ik wil dit niet! Ik ga terug naar papa.”
Naar school gaat Lotte niet meer. Hoe hard de werkers hier in de opvang het ook proberen haar weer zover te krijgen. Die nieuwe school hier in Groningen vond ze niet leuk. Ze hoorde er niet bij. Als ze om kwart over acht de deur van de opvang achter zich dichttrok en iedereen dacht dat ze naar school ging, zwierf ze door de straten van Groningen.
Lotte’s moeder Ellen herkent dat gedrag. Zo was ze als puber ook. Ellen is soms bang dat Lotte in dezelfde valkuil stapt: geen diploma halen, weglopen. Op haar zeventiende trok ze zelf in bij een veel oudere man. Nu heeft ze drie prachtige kinderen, een drugsverslaving en een kamer in de vrouwenopvang.
Dinsdagavond Het zusje en broertje van Lotte spelen toneelstukjes op de speelplek van de vrouwenopvang: de kinderzolder. Anouk en Tim, acht en zes jaar oud, spelen eerst sneeuwwitje, dan politie en boef en uiteindelijk een karatewedstrijd. De begeleiders van de kinderzolder zijn het publiek. Elk toneelstukje eindigt met Anouk en Tim die boven op elkaar liggen in een iets te ruwe worsteling.
Na het toneelspelen willen ze boksen op de ’heksenzolder’. Die ligt naast de kinderzolder en is spannend en koud met hoge donkere balken en overal oud speelgoed. In het midden hangt een rode boksbal boven een dikke gele mat. De twee nemen een aanloop, richten eerst een karatetrap op de boksbal en meppen dan voluit op de enorme rode zak waar ze een keer of tien inpassen.
“Au!”, roept Tim en wappert met zijn dunne handje in de enorme handschoen. Andere hand dan maar. “Au!”
Als Anouk zich ergert aan haar kleine broertje roept ze: “Tim! Aan de kant!” Ze slaakt een ijselijke gil en mept Tim hard in zijn zij. Als de kinderwerker ingrijpt, zegt het jongetje doodleuk: “Doet geen pijn hoor.” Anouk pakt een oor van haar broertje en draait het hardhandig om. “Je moet luisteren Tim!”
LottesLast2
De binnenplaats
Woensdagavond
Gastvrouw Nadia zet scharen, kaartjes, stickers en lijm op de lange tafel in een van de vier huiskamers die de vrouwen en kinderen hier delen. “We gaan kerstkaartjes maken”, zegt ze enthousiast. Het is koffie-uurtje: het moment dat de kleintjes op bed liggen en de vrouwen samen iets gezelligs doen.
“Voor wie maak jij een kaart Chantal”, vraagt Nadia. Gastvrouwen werken ’s avonds en in het weekend, als de andere hulpverleners vrij zijn. Nadia doet het werk nu tien jaar. Ze is populair, ze wil altijd wel een praatje maken.
“Voor mijn moeder”, antwoordt Chantal met een grote glimlach. Het gaat beter met Chantal. Ze leest veel. Daar geniet ze van.
Natasja heeft haar wenkbrauwen opgemaakt. “Vinden jullie het mooi?”, vraagt ze verlegen aan de rest. Instemmend geknik aan tafel. “Ik vond een make-up doos onder mijn bed”, zegt ze blozend. “Ik dacht: nu kan het wel weer.”
Lotte laat de vrouwen een tekening zien. In haar kenmerkende kleurige hoekige letters staat de naam Steazzy. “Dat is een rapper”, zegt ze met een verlegen glimlachje.
Ook haar moeder Ellen schuift aan. Niet om te knutselen. Ze nipt aan haar zwarte koffie en begint over haar nieuwe huis. Hoeveel mazzel ze daarmee heeft. “Eindelijk weer een beetje geluk”, zegt Nadia. Ellen knikt. Er zit aarzeling in dat knikje.
Geluk is het nieuwe onderwerp voor het levendige gesprek tijdens het geknutsel aan tafel. Anouk hangt vrolijk over de schouder van haar moeder. Sommige vrouwen hebben een geluksgetal. Dat vindt Anouk interessant.
“Op welk nummer wonen wij hier?”, vraagt ze. “Nummer elf”, zegt Nadia.
“Dan is elf mijn geluksgetal”, besluit Anouk.
Donderdagochtend De stilte is terug in de groep. Lotte wrijft over de kaften van haar schoolboeken. Ze liggen naast haar op de rode bank. Maatschappelijk werkster Irene kijkt haar schuin aan. Eerder die ochtend zei Irene tegen haar collega’s: “We moeten voorkomen dat dit meisje hier over een paar jaar ook zit. Net als haar moeder.”
Lotte heeft vandaag roze knopjes in haar oren. Af en toe kijkt ze geërgerd opzij omdat haar moeder steeds de huiskamer in-en uitloopt. “Vandaag moet je Engels en wiskunde maken”, zegt Irene. “En bladzijde 81 leren van Nederlands. Oké?” Het meisje knikt. Ellen loopt weer binnen. “Kun jij haar niet meenemen naar school?”, roept ze plotseling tegen Irene. “Jullie kunnen het toch zo goed met elkaar vinden?” Irene kijkt Ellen even aan. “Ja. Dat kan. Maar ze heeft ook een moeder.”
Een half uur later is Irene de trap opgelopen naar de werkkamer van de hulpverleners. Achter haar bureau hangt een groot wit bord waarop met viltstift de namen van alle opgevangen vrouwen zijn geschreven. Een rode streep onder de naam betekent ’time-out’. Een zwarte streep ’noodbed’. Slachtoffers van mensenhandel hebben een blauwe streep. Irene maalt. Haar collega’s zien het en laten haar met rust. Ze weten dat het werk zwaar kan zijn en dat het soms moeilijk is om afstand te houden. “Ik lig wakker van Ellen”, zegt Irene dan hardop. “Van haar kinderen. Je ziet dat het fout gaat. Wat we ook proberen.”
Zondagmiddag
Om twintig over vijf belt de politie. Gastvrouw Nadia neemt op. Ja, antwoordt ze, er is plaats voor een jonge vrouw met een baby. De bewoonster van kamer 206 is net die middag na drie weken time-out vol goede moed vertrokken naar een nieuw huis. Voor zichzelf. Agenten brengen de vrouw. Haar zoontje zit op haar arm en kijkt verbaasd rond. Een buggy en een grote plastic tas met babyflesjes en vier luiers is alles wat ze bij zich heeft. Nadia herkent de vrouw meteen. Drie jaar geleden was ze met haar moeder in de opvang. Toen was ze nog een lastige puber die wegliep. “Het is hier niks veranderd”, zegt de jonge moeder op weg naar kamer 206. In het trappenhuis passeren ze Lotte. Ze zit snikkend in de vensterbank. Ruzie met haar moeder. En haar wilde zusje Anouk was zo boos dat Lotte een van de huiskamers in moest vluchten. “Anouk zit achter me aan!”, riep ze buiten adem.
LottesLast4Haar zusje raast door op de binnenplaats. Lotte hoort het. Ze krijst alles en iedereen bij elkaar. Schopt tegen de deur en slaat tegen de ramen met haar vuisten. “Mijn kinderen willen slapen!”, schreeuwt een van de vrouwen. Anouk klimt op een houten bankje, klemt haar handen om de spijlen en duwt uit alle macht haar blote voeten tegen de leuning. Lotte ziet hoe woest ze uit haar ogen kijkt. Alsof ze bezeten is. Gastvrouw Nadia rent naar beneden. Haar vragen dringen niet tot Anouk door.
Dan komt Ellen aangestormd. Zij vraagt niks. Ze pakt Anouk hardhandig vast. Ellen weet niet meer hoe het verder moet. Een paar uur geleden vertelde ze het nog tegen Nadia. Ze weet niet hoe het moet met die kinderen. Met zichzelf. Dit kan ze er niet bij hebben. Ellen trekt haar dochter van de bank. Anouk valt op de grond. “Ben je godverdomme helemaal gek geworden?”, schreeuwt Ellen. “Hier komen!” Anouk wordt nog wilder. Ze slaat haar moeder. Ze schopt. Ellen wil haar mee naar binnen slepen. Ze krijgt het spartelende meisje niet door de deur. Ze sleurt. Ze sjort. Als Nadia komt aanlopen en de worsteling probeert te sussen, is Ellen het zat. “Hier!”, brult ze. “Jullie mogen haar hebben.” Ze smijt haar dochter naar de gastvrouw. “Jullie weten het toch allemaal zo goed? Ik hoef haar niet meer.” Ellen gooit de deur dicht en beent weg. Anouk ligt op de grond. Nadia helpt haar overeind.
Een paar meter daarboven zit Lotte nog steeds in de vensterbank. Met haar benen opgetrokken en haar hoofd tegen het glas staart ze uit het raam. Lotte is bang voor Anouk.
De namen in dit verhaal zijn gefingeerd. Het verhaal heb ik gemaakt met Maaike Borst. De foto’s zijn van Kees van de Veen.

– 1 op de 16 Nederlanders zijn jaarlijks slachtoffer van huiselijk geweld. Dat komt neer op ongeveer een miljoen mensen.
– In ongeveer 30 tot 40 procent van de gezinnen waar een ouder wordt mishandeld is ook sprake van kindermishandeling,
– 230.000 mensen hebben te maken met ernstig herhaaldelijk huiselijk geweld
– Zo’n 100.000 kinderen zijn jaarlijks getuige van huiselijk geweld Bij 11 procent van de kinderen die in de opvang zitten is kindermishandeling vastgesteld en bij 4 procent is er een sterk vermoeden van kindermishandeling
– Jaarlijks sterven 70 vrouwen, 50 kinderen en 25mannen aan de gevolgen van huiselijk geweld
– Ongeveer een derde van de kinderen die zijn opgegroeid in een gezin waar agressie en geweld plaatsvond, gebruikt later als volwassene geweld tegen zijn of haar kinderen
– In de crisisopvang in Groningen is plaats voor ongeveer 35 vrouwen en 40 kinderen. Op een andere locatie in Groningen – een blijf-van-mijn-lijf-huis – zijn nog dertien andere plekken
– Gemiddeld trekt een vrouw pas aan de bel na 33 keer geslagen te zijn