Onbekend, onbegrepen, onbemind

Moslims en de islam liggen onder een vergrootglas. Over en weer bestaat onbegrip. Een verhaal over mijn week in de moskee van Emmen.

Met de punten van zijn duimen raakt Ramazan Ergunçah zijn oorlellen aan. Alsof het geluid zo beter te vangen is. ,,Allahoe ekber”, prevelt hij in de microfoon. Allah is de grootste.

Ergunçah (45) is sinds veertien maanden de imam van de moskee Yildirim Beyazit in de wijk Angelslo in Emmen. Hij werd als overheidsdienaar naar Drenthe gezonden door de Turkse dienst voor Godsdienstzaken (Diyanet). Hij blijft nog zeker vier jaar in Angelslo waar hij is neergestreken met zijn vrouw en hun tweeling van zes jaar oud.

De imam hoort dat de andere mannen in de gebedsruimte zich achter hem verzamelen. Voorzichtig schuifelen ze op sokken over het rode tapijt. De oproep voor het gebed is gedaan en nu staan ze daar met z’n zestienen, schouder aan schouder. Het is een van de vijf verplichte bidmomenten, de salat. De imam dreunt op bijna muzikale wijze een stuk voor uit de Koran. Dan loopt Ergunçah naar de marmeren gebedsnis, de mihrab. Een lang wit gewaad hangt losjes over zijn schouders en een tulband prijkt op z’n hoofd. Even sluit hij zijn ogen, kruist zijn armen en mompelt een gebed.

De zeventien mannen buigen deze woensdagmiddag om even voor half een, prevelen en komen weer overeind. Dan gaan ze eensgezind naar de grond. Slechts het tikken van de klok en het knakken van de knieën is te horen. Ze raken met het puntje van hun neus de grond. Allah is de grootste. De neuzen gaan weer naar het tapijt. Tien seconden later veren de mannen weer op.

Knak. Knak.

Voorganger Ergunçah hoort het niet. Geknield voor de gebedsnis overdenkt hij de afgelopen maanden, toen hij hier in deze achterstandswijk met zijn gezin neerstreek. Hij ontving overwegend hartelijkheid in Angelslo. Maar de afgelopen maanden werd hij ook geconfronteerd met racisme. Dat zijn vrouw en hun jongens zijn bespuugd, maakt hem verdrietig. Net zoals de eieren die van tijd tot tijd tegen zijn ambtswoning worden gegooid. Laatst nog, na de wedstrijd Nederland-Turkije. Twintig eierdoppen vond hij.

Bang is imam Ergunçah niet. In elk mandje appels zijn altijd wel een of twee beurse exemplaren. Of verrot, denkt hij. Maar de onwetendheid en de angst die daaruit voortvloeit, baren hem wel zorgen. Onbekend maakt onbemind, denkt hij met enige regelmaat. Een gevaar op zich.

Bijna 50 kilometer verderop zit Nasr Errabhi in een klein kantoor in Assen van wat vroeger een kinderdagverblijf was. Aan de muur hangen foto’s van moskeeën. Errabhi, een 29-jarige man met lang krullend haar, is voorzitter van de moskee Elmoslimien in Assen. Hij organiseerde drie weken geleden een inloopavond. Aanleiding: de bloedige aanslagen in Parijs. Zelf schrok hij enorm van de gebeurtenissen. Gelijk schoot door z’n hoofd: daar gaan we weer. De moslims zullen wel weer allemaal de schuld krijgen. De inloopavond was bedoeld om in gesprek te gaan. Om dingen over de islam uit te leggen. Om te vertellen dat echte moslims anderen niet vermoorden.

Errabhi is tevreden over de afloop van die avond. Er kwamen slechts tien mensen op af. Maar hij kreeg een hand, met glimlach, van twee aanwezige PVV’ers. ,,Ze hebben een realistischer beeld van ons gekregen. Niet van maar één bron, van de televisie. Nu kunnen ze eerlijker oordelen. Volgens mij is het wel duidelijk geworden dat mensen niet bang voor ons hoeven te zijn.”

,,As-Salaamoe Aleikoem.”

De jonge man loopt met uitgestoken hand op de oudere man af terwijl hij het vrede zij met u uitspreekt. De oudere man, die op een wit stoeltje voor de moskee in Emmen zit, kijkt op en geeft het standaardantwoord dat moslims geven: Aleikoem as-salaam – ook vrede met u.

Het gebouwtje met de oude man naast de ingang lijkt in niets op een moskee. Er is geen minaret. Geen koepel. Het zou net zo goed een basisschooltje kunnen zijn. Of een voetbalkantine. Alleen een klein bordje met een Turks en een Nederlands vlaggetje geeft aan dit een huis van Allah is.

De man rookt een shagje en tuurt wat voor zich uit. Hij kijkt uit op de parkeerplaats van een groot winkelcentrum. Mensen lopen met tassen en trolleys langs op weg naar het winkelcentrum. Fietsers passeren. Niemand die groet of ook maar opkijkt. De twee Turken hebben er geen oog voor. Het lijkt ze in elk geval niet te verbazen. Bezoek krijgen ze niet zo vaak hier in de moskee.

Aan de grote tafel in de kantine zit Abdurrahman Calik, de 70-jarige voorzitter van Yildirim Beyazit. Net zoals de voorzitter in Assen vindt hij dat het nodig is om uit te leggen. Om te reageren als er iets is gebeurd, zoals in Parijs. Hij besloot met zijn bestuur om direct een persbericht naar buiten te doen. Om te voorkomen dat dit soort terroristische aanslagen wordt aangegrepen om de islam aan te wijzen als zondebok.

Calik zegt dat het werkt. Om toch maar te reageren, hoe fout het ook voelt. Want je moet je verantwoorden voor daden waar je zelf niet achterstaat. ,,Deze mensen hebben geen respect voor Allah, voor andere mensen of voor het leven”, vindt hij. Ook na de aanslagen in New York op 11 september 2001, nam Calik direct initiatief. Uitleggen. ,,Dit is niet de Islam.”

Calik is een vroom man. Hij slaat bijna geen gebed over in de moskee. Net is hij bij het middaggebed geweest. Dat duurt het langst van de vijf: een kwartier. ,,Ik ben niet meer dan een uur per dag kwijt aan bidden. Een uur maar. Om Allah te danken voor alles wat we van hem krijgen.” Het is vandaag rustig in de moskee. Net waren er zestien anderen. Maakt niet uit als je niet bidt in de moskee”, vertelt hij. ,,Als je moet werken of naar school moet, kun je ook daar bidden.”

Bidden mag overal, maar samen is het beste. Het mooiste ook, vindt Calik. Daarbij is de beloning 27 maal groter in de moskee dan thuis. Zo zegt de profeet Mohammed, verklaart Calik. ,,Vrede zij met hem”, zegt hij er nog snel achteraan, zoals hij altijd doet als hij de naam van de profeet uitspreekt.

Calik wil een goed moslim zijn. Hij gelooft dat op elk van zijn schouders een engeltje bijhoudt wat hij met z’n leven doet. Accountants voor de hemel. De rekening krijgt hij pas op de dag des oordeels, is zijn vaste overtuiging. Waar het oneindige leven lonkt voor iedereen, volgens de islam. ,,Je moet altijd zorgen dat je een goed leven leidt. Goed zijn voor je vrouw, niet liegen en respect tonen voor het leven. Alles wat we hebben, hebben we gekregen van Allah. Wij mogen gebruik maken van de aarde, zijn schepping. Maar daarvoor zijn regels. Als ik niet wil dat er wordt gerookt in mijn huis, dan moet je je daaraan toch ook houden?”

De kantine is de ruimte waar plukjes mannen zich meerdere malen op de dag verzamelen. Het lijkt soms meer een buurthuis dan een moskee. Ze voeren discussies. Deze woensdagmiddag gaat het vooral over Syrië. Het Turkse journaal, dat als achtergrondgeluid fungeert, laat oorlogsbeelden zien. Calik krijgt een kop thee via een doorgeefluik in de kleine keuken, zoals in een Chinees restaurant. Terwijl de 70-jarige voorzitter zijn thee opslurpt ziet hij beelden over de strijd langs de Turks-Syrische grens.

Hij denkt aan al die Nederlanders die deze beelden niet zien. De belevingswereld in winkelcentrum Angelslo is een andere dan die van de moskeegangers. In het winkelcentrum wordt amper gesproken over Syrië of het conflict met Rusland. Het is in de moskee het gesprek van de dag. Dat er in Nederland veel aandacht is voor de aanslagen in Parijs, kan rekenen op begrip. Verschrikkelijk, wat daar is gebeurd.,,Wie dat doet, is geen echte moslim”, zegt een Turkse man in hakkelend Nederlands. De anderen vinden dat ook.

Dat er bijna nooit iets wordt gemeld over aanslagen in het Midden-Oosten, leidt tot gefronste wenkbrauwen. ,,Laatst was er een aanslag in Ankara. 106 doden. Hoor je bijna niks over. Zijn we niet gelijk? En elke dag zijn er aanslagen in Irak en Syrië. Dat zie je wel bij ons op televisie. Niet in Nederland”, zegt Calik. ,,In Nederland hoor je alleen maar dat moslimterroristen een aanslag hebben gepleegd. Als het geen islamitische strijders zijn, maar iemand als Anders Breivik, dan zijn ze in de war. Of die Amerikanen, met de Ku Klux Klan. Niemand die zegt dat het christelijke terroristen zijn. Dat geeft een scheef beeld.”

Ze willen maar zeggen: de Nederlanders krijgen te veel een eenzijdig geluid te horen. Via de media. En dat vertroebelt het beeld van de moslims en de islam. ,,We moeten dit altijd goed blijven uitleggen. Terrorisme kent geen religie of nationaliteit”, zegt Calik. Even frummelt hij aan zijn takke, het mutsje dat zijn schoonzus voor hem heeft gebreid. Moslims dragen het om nederigheid te tonen. ,,Iedereen denkt dat we binnenin de moskee allemaal een lange baard hebben en met een geweer rondlopen.” De vier mannen knikken. ,,Islam is juist van de vrede. En het accepteren van alle mensen, want Allah houdt van alle mensen.”

Dan vult een omroeper via een luidspreker in het plafond de ruimte. Hij doet de oproep voor het gebed. Langzaam staan de mannen op, wrijven elkaar even vriendschappelijk op de schouder en sloffen door de hal naar een wit schoenenrekje. Ook Calik trekt zijn schoenen uit. Hij kijkt even naar een donkere jongen – hij komt uit Somalië – die met een doekje wat stof van de onderkant van zijn sok slaat. Daarna hinkt hij op zijn andere been, ook de andere sok wordt schoongemaakt. Pas dan gaat hij de gebedsruimte in. Schoon.

Calik geeft de jongen een knik – As-Salaamoe Aleikoem – loopt naar binnen en trekt een lichtbruin gewaad aan dat daar hangt. Het zachte gewaad zorgt dat hij dichterbij het voorbeeld van de profeet Mohammed komt te staan. Calik kijkt nog even achterom, naar de digitale klok die aan de muur hangt. Op het apparaat staan de vijf gebedstijden, gebaseerd op de stand van de zon, voor deze woensdag. De klok staat op 14.11 uur. Calik draait zich weer om. Tijd voor het derde gebed van de dag. Hij brengt zijn duimen naar zijn oorschelpen. Allahoe ekber. Tien minuten duurt het. Als een jonge vent, zonder ondersteuning, werkt de 70-jarige zich uit knielstand omhoog.

De mannen – het zijn er nog zo’n tien – gaan met de rug tegen de muur in de gebedsruimte zitten. Aan acht hangertjes hangen kralenkettingen, de tasbih. Ze worden over het zachte tapijt naar elkaar geschoven. De kralenkettingen werken als een soort telraampjes. 99 keer moeten de moslims, na het gebed, hun God prijzen. Calik hurkt in het midden op het rode tapijt en mompelt 33 maal Subhan Allah, 33 keer Elham doe lillah en 33 maal Allahoe Ekber. Wanneer hij klaar is, blijft hij nog even zitten. Op zijn hurken mijmert hij wat. Hoe hij neerstreek in de wijk. Hoe moeizaam het contact loopt. Terwijl hij het wel zoekt. Om te vertellen wat er leeft binnen de moslimgemeenschap. Via de lokale voetbalvereniging in de wijk komen de Turken en Nederlanders nog wel goed met elkaar in contact. Maar een bezoek aan de moskee? Nee, dat gebeurt eigenlijk amper.

Angelslo werd in de jaren zestig volgebouwd met eengezinswoningen. Eenheidsworst met platte daken voor arbeiders en gastarbeiders van de Akzofabriek. Adurrahman Calik ging er werken als productiemedewerker. Zijn collega’s hadden altijd begrip voor zijn geloof. ,,Appie … hé Appie … tijd voor je gebed. Ga maar naar Allah”, schreeuwden ze naar hem als het tijd was om te bidden. ,,Gaan wij wel effe bakkie koffie doen.”

Sinds 1991 heeft Angelslo een Turkse moskee. Tot aan de Raad van State moesten Calik en zijn mannen gaan om het gebedshuis te mogen bouwen. Want de autochtonen wilden het niet. Het zou het groen in de wijk geen goed doen. Tijdens de bouw werden geregeld de ramen van de moskee ingegooid. Ordinair vandalisme, zegt hij nu. Overal worden ramen ingegooid. Maar wie diep in zijn hart kijkt, weet wel beter.

Hij schuift de ketting terug en verlaat de ruimte.

Met opgestroopte broekspijpen en opgerolde mouwen komt Mehmet Acar de kantine binnenlopen. Acar heeft zich net gewassen in de speciale wasruimte, de abtesthane. Het is donderdagmiddag, vlak voor het middaggebed.

Abdurrahman Calik begroet Acar met een knikje en slurpt zijn thee op. Hij heeft zich thuis al gewassen. In de wintermaanden is één of twee keer per dag wel genoeg. ,,Tenzij je naar de wc bent geweest of een wondje hebt. Dan moet je voor het bidden opnieuw wassen.” Alsof hij een aap-noot-mies opdreunt gaat hij het lijstje langs: ,,Eerst handen, dan de mond, de neus en het gezicht. Dan de armen, de oren en als laatste de voeten.” Acar glimlacht, terwijl hij het water dat nog van zijn kin drupt, wegveegt met een witte doek.

Dan schalt door de luidsprekers in de kantine de oproep tot het gebed. Acar en Calik lopen naar de gebedsruimte, ontdoen zich van de schoenen en gaan naar binnen.

In de gebedsruimte ruikt het naar lavendel. Twee busjes, die werken op batterijen, spuiten van tijd tot tijd een wolkje. Om de chemische geur van het pas kort gelegde tapijt te verdoezelen. Calik moet grinniken als mensen hem vertellen dat het lekker naar tapijt ruikt. Zo oosters. ,,De busjes zijn gekocht bij de Op=Op-winkel.”

Als Acar binnenstapt, kijkt hij even naar rechts. Op een kleine verhoging, gescheiden met een traliehekje, staat een wat dikkige man. De gezette muezzin – gebedsomroeper – zet zijn hand tegen z’n oor, alsof hij een dj is met een koptelefoon. Haye alessalat … haye alessalat, zingt hij. Kom tot het gebed … kom tot het gebed.

Calik schuift de wanden dicht tussen de zaal voor de mannen en die van de vrouwen. Vrouwen zijn er vandaag niet. Ook op andere dagen laten vrouwen zich niet veel zien. De moskee is vooral een mannenaangelegenheid. Het is ook niet verplicht voor vrouwen om te bidden in de moskee. ,,Maar het is goed dat de zalen gescheiden zijn”, denkt Calik terwijl hij een plekje opzoekt voor zijn gebed. ,,Mannen komen alleen maar in de verleiding als we gemengd zouden bidden. Daarom dragen vrouwen ook wijde kleren en een hoofddoek. Om te zorgen dat de man zich niks geks in z’n hoofd haalt.”

Abdurrahman Calik zit op een gele leren sofa in zijn woonkamer en kijkt naar zijn islamitische klok. Een kopje thee staat voor hem. Over dik anderhalf uur begint het vrijdagmiddaggebed. De belangrijkste bijeenkomst van de week, verplicht voor mannen. De imam zal een rede houden. Voorlichting geven waaraan een goed moslim zich moet houden. De moskee zal wel vol zitten. Soms wel tweehonderd man, vertelt Calic. ,,Vrijdagmiddag is een feestje in de moskee.” Even straalt hij en frummelt wat aan zijn takke.

Zijn vrouw Zülfiye schotelt wat zoete koekjes voor. ,,Ik ga in de keuken werken. Meer koekjes maken.” Abdurrahman glimlacht. ,,Doe jij maar. Ik blijf hier zitten.” Abdurrahman en Zülfiye Calik wonen al 35 jaar in Angelslo in hun knusse rijtjeswoning. Ze voelen zich er thuis. Angelslo is de armste wijk van Emmen, bijna 1 op de 3 van in totaal 8000 wijkbewoners is van allochtone afkomst. Calik voelt dat hij in Nederland moet blijven. Dat hij hier iets kan betekenen. ,,Misschien kan ik helpen een brug te bouwen tussen moslims en niet-moslims.”

Zülfiye komt weer even binnen. Haar man zal zo wel naar de moskee gaan. Even plooit ze haar zwarte lange rok en glimlacht: ,,Thee?” Haar man knikt. Graag.

Hij is blij met z’n vrouw. Een geweldig mens met een mooi karakter, vindt hij. Dat is het allerbelangrijkste. Het paradijs zit onder de voeten van je moeder, zegt Calik wel eens. ,,De eerste leraar van een kind is de moeder. De vrouw is zo belangrijk voor ons geloof.” Samen met zijn broeders uit de moskee vindt hij het wrang dat ze altijd voor de voeten krijgen geworpen dat de islam vrouwen onderdrukt. Dat ze minderwaardig zijn. Worden gestenigd als ze ontrouw zijn. Het maakt hem soms wat sip. ,,Verhalen die rondgaan uit onwetendheid”, vinden Calik. ,,Onderdrukking van vrouwen komt door de cultuur van een land, niet door het geloof. In Turkije hebben we vrouwen in het parlement en in de top van het bedrijfsleven. En Turkije is een islamitisch land hoor.”

Dan valt er een stilte en kijkt hij even voor zich uit.

Mensen zijn te onbekend met de islam, vindt Calik. En onbekend maakt onbegrepen. ,,Dan krijg je verkeerde ideeën. Hoe zeggen ze dat in Nederland?” Even valt hij stil, denkt hij na. ,,Onbemind. Dat word je dan. Onbekend maakt onbemind. Dat moeten we niet willen.”

Hij vertelt over de Nederlandse vrouw die jarenlang langs de moskee fietste. Af en toe zwaaide ze naar Calik. Maar binnenstappen in de moskee deed ze nooit. ,,Uiteindelijk stopte ze een keer. Ze was in Algerije geweest op vakantie. Daar had ze gezien dat er een geit werd geslacht en het vlees werd opgehangen bij de moskee. Of wij dat ook deden in Angelslo.” Als hij eraan terugdenkt schiet Calik in de lach. ,,’Nee mevrouw’, zei ik tegen haar. ‘We zijn in Nederland. Niet in Algerije’. Toen was het goed. Als je het uitlegt, is het altijd goed.”

Even kijkt hij naar rechts, naar de roomgele muur in de woonkamer. Tussen de twee schilderijtjes is het zuidoosten, in die richting ligt Mekka. Dat heeft hij al eens bekeken met zijn kompas, dat nu in z’n auto ligt. Als hij niet naar de moskee gaat om te bidden, legt hij zijn gele matje hier in de woonkamer. ,,En als ik op pad ben, kijk ik op m’n kompas.”

Een half uur later wandelt Calik de moskee binnen. Het is druk. Mannen omhelzen elkaar in de kantine, gaan naar de wasruimte of kopen nog snel wat Turkse snuisterijen in het winkeltje dat elke vrijdag open is. De moskee verkoopt er van alles om de rekening wat te spekken. Aan de kantinemuur hangt een lijst met zo’n 150 namen. Moslims die een maandelijkse vrijwillige bijdrage doen. Soms geven ze 5 euro, vaak een tientje. Soms meer.

Imam Ramazan Ergunçah loopt vol vertrouwen naar de preekstoel met treden, de mimber. Die gebruikt hij elke vrijdag om de aanwezige mannen, vrouwen en kinderen toe te spreken. De khutba – de preek – gaat deze keer over een evenwichtige balans. Calik zit vooraan in de gebedsruimte, met het lichtbruine gewaad aan. Vlak naast hem zit een Nederlandse jongen, de 32-jarige Pascal van Loon. Maar niemand in de moskee kent hem als Pascal. Hier noemen ze hem al elf jaar Bilal, zijn islamitische naam.

Bilal heeft een bewogen leven achter de rug, met uitgaan en drugs. Hij deed onaardig tegen mensen, tegen zijn ouders. Hij loog. Totdat hij op een nacht met zijn vrienden door het centrum van Emmen struinde. En zich leeg voelde van binnen. ,,Is dit het nou allemaal?”

Van Loon kwam in contact met de islam, waarvan hij helemaal niks afwist. Maar hij voelde zich welkom. De mensen deden vriendelijk en de discipline die het geloof met zich meebrengt, voelt voor hem als een beschermende deken. ,,Ik wil vanaf nu alleen nog maar goed doen in de ogen van God”, zegt hij na de dienst. Van Loon ontmoette via de moskee zijn Nederlandse vrouw Nathalie – islamitische naam Khadijah. Nathalie is al sinds haar twaalfde bekeerd. Calik en Van Loon horen hun imam vertellen over de goede daden die iedereen moet doorgeven. Ramazan Ergunçah loopt de treden af en de ongeveer 150 toehoorders staan als een man op.

Allahoe ekber, Allahoe ekber, klinkt het. God is de grootste. Het gebed kan beginnen.

Een kwartier later zitten de aanwezigen geknield als ze hun imam het einde van het gebed horen afkondigen. Calik wendt zijn hoofd, tegelijk met de anderen, naar rechts en prevelt zachtjes naar een van twee engelen die al zijn daden noteert tot aan zijn dood. Calik is er, net als de rest, van overtuigd dat ze zijn levensboek tot aan het kleinste detail schrijven. Gebroederlijk wenden de 150 man hun hoofd naar links. Een dankwoord voor de linkerengel volgt.

De 25-jarige Ömer Kunt staat met een brede glimlach tegen de muur van de moskeehal. Hij schudt handen en wacht op zijn opa en broer. Ze gaan, zoals elke vrijdag, na het gebed ‘even een visje scoren’ bij de visboer. Kunt voelt zich blij, zoals elke vrijdag. ,,Ik krijg rust door de islam. Ben geen vervelende jongen.” De 25-jarige gespierde man werkt in ploegendienst op chemisch bedrijvenpark Emmtec. Zes dagen werken, vier dagen vrij. Dus hij kan niet altijd in de moskee zijn. Maar vrijdags wel. Hij vindt het jammer dat de islam er zo gekleurd opstaat. Door de media. Door Geert Wilders. Door de strijders van Islamitische Staat. ,,Dat zijn geen moslims. Ze doden andere mensen. Wie doet dat?”

De jongen loopt vaak tegen onbegrip op. Door onwetendheid, zegt hij. ,,Ik hoop altijd dat mensen de moeite willen nemen om hier eens langs te komen. Ze zullen altijd vriendelijk worden ontvangen. Wij zijn niet eng. We willen juist uitleggen.”

Twee jongens willen nog even een kopje koffie drinken na het gebed. Een van hen is Jordy Geraerds uit Coevorden, een 27-jarige student van Stenden Hogeschool. Twee jaar geleden is hij bekeerd, vertelt hij aan Abdurrahman Calik die voorzichtig zijn kopje thee naar binnenslurpt. Calik luistert hoe de jongen vertelt hoe moeilijk zijn ouders het in eerste instantie vonden. ,,Maar nu accepteren ze het helemaal. Mijn moeder wilde nu ook weten hoe ik denk over de aanslagen in Parijs. Ik heb haar verteld dat ware moslims dat niet doen. Terrorisme kent geen religie.”

Een glimlach verschijnt op het gezicht van Calik. Hij is het volledig eens met de Nederlandse jongen en ze babbelen wat. Het gesprek gaat over vroomheid en de discipline van een moslim. Calik drinkt geen druppel alcohol. Zijn geloof verbiedt hem dat. ,,Het lichaam is een geschenk van Allah. Ik heb vaak genoeg mensen gezien die helemaal anders werden door de alcohol. Het maakt je hersenen kapot. Hersenen die je van Allah hebt gekregen. Waarom zou je dat kapotmaken?”, zegt hij tegen Jordy. Even kijkt hij hem indringend aan. De Nederlandse moslim knikt. Hij is onder de indruk van de oude man. ,,Zo is het”, zegt hij.

Een rode Volkswagen komt voorrijden. Een meisje van een jaar of 8 stapt uit en dribbelt met een kleine zuurstokroze Hello Kitty-tas richting de moskee. Haar oudere broer sloft achter haar aan. Ze krijgen deze zaterdagochtend Koranles, zoiets als een zondagschool. Even later lopen ook andere meisjes het gebouw binnen terwijl ze kleurige doekjes over hun bol knopen.

Het is iets na 10 uur in de ochtend wanneer imam Ramazan Ergunçah zijn les begint. Om hem heen zitten elf kinderen, gehurkt achter een kleine lessenaar. De koran ligt, met blauw of roze kaft, voor hen opengeslagen. De wijsvingertjes glijden van rechts naar links over de Arabische teksten. Leeeeeeemmmm, reciteert de imam. Zangerig herhalen de kinderen de uitgesproken woorden en zinnen. Af en toe geeft de imam, die als een dirigent door de kamer loopt, een high five als hij vlekkeloos wordt nagesproken. Ergunçah glimlacht. De zaterdag en zondag met de kinderen vindt hij belangrijk. Hier kan de imam ze meegeven wat het betekent om een goed moslim te zijn. Om Allah te dienen. Om goed te zijn voor de buitenwereld. De imam moet wat dat betreft wennen aan de mentaliteit van dit land. Nederlandse kinderen missen dat, zijn veel brutaler naar hun ouders, vindt hij. Veroordelen wil Ergunçuh het niet. Maar het is wel wennen. Weer glimlacht hij als een van de jongens hem correct nazingt. High five.