Hoop, vrees en geluk

Op de verloskamers is het een drukte van jewelste. Alle zes kamers liggen vol. Het personeel loopt, zoals zo vaak, zich de benen uit het lijf. Vorig jaar werden op medische indicatie 1832 kinderen geboren in het Martini. Daarnaast waren er driehonderd poliklinische bevallingen. Dit jaar zullen die aantallen nog weer hoger zijn.

Achter de balie op de afdeling volgen de arts-assistenten en gynaecologen de verrichtingen in de kamers. Steeds kijken ze met een scheef oog naar het computerscherm waar alle hartjes van de ongeboren kinderen en de intensiteit van de weeën worden gevolgd. Verpleegkundigen vertellen de artsen steeds hoe de patiënten zich voelen. De meeste bevallingen gaan goed.

HoopVreesGeluk monitorMaar de ’verlos’ is een afdeling van roze wolken met een zwart randje. De laatste twee maanden gingen drie baby’s dood en waren er vier late miskramen. “Het hakt er in”, vertelt afdelingshoofd Aly Hoekstra. “Het is raar. Je loopt uit een kamer van verdriet om daarna door te gaan naar de volgende verloskamer.”

“Yes”, roept verpleegkundige Kirsten Spenkelink wanneer ze met een glimlach van oor tot oor en de vuist gebald samen met verloskundige Joke uit verloskamer 6 loopt. Ze hadden wat voorbereidend werk gedaan en toen ze net weer weg wilden, schreeuwde de vrouw het uit. “Ik voel een hoofd.” De andere verpleegkundigen luisteren ademloos. “Ik trek dus het laken weg. Wat denk je? Bungelt het hoofd al tussen de benen!” De anderen schateren het uit. “Ik had geen tijd meer om handschoenen aan te trekken. Dus kind er uit gehaald. Gezond en wel”, vertelt Joke. “Zo snel. Wauw gewoon”, jubelt Kirsten, haar wangen rood van de spanning. Joke zit alweer achter de computer. Ook na zo’n mooie bevalling hoort administratie er bij.

Rond twee uur ’s middags laat het computerscherm zien dat de weeën in verloskamer vijf zichtbaar worden. In het kamertje zelf merkt Rita Terstil het ook. “Theo, ik krijg krampjes.” Onderuitgezakt in de paarse zitbank glimlacht Theo wat naar haar.

Rita’s hoofd is roder geworden. Deels door de dikke sokken die ze om haar voeten heeft. Maar de ’krampjes’ doen ook hun werk. Elke keer als ze een wee heeft, wrijft ze over haar bolle buik. “Oeh, moet je voelen. Er komt spanning op te staan.” Theo wil wel voelen. “Snel, snel. Anders is het weer weg.” Hij schiet uit de zitbank. “Ja, ik voel het. Hartstikke harde buik.” Tien seconden later is de buik weer zacht. Een leerlingverloskundige komt de situatie bekijken. Ze schroeft de weeënopwekker op. Maakt een praatje. Legt wat uit als een van de twee een vraag heeft.

HoopVreesGelukhandhandje

Terwijl Rita in kamer 5 weeën weg puft, bespreken gynaecologen, arts-assistenten, coassistenten en verloskundigen vijftig meter verderop een zaak van een week terug. Om fouten te constateren. En er van te leren. Minestronesoep, broodjes kaas en ham dienen als lunch. Deze keer is een patholoog-anatoom uitgenodigd om aan te schuiven. Niet zonder reden: de casus betreft een dood kind. Zij heeft de obductie gedaan en foto’s meegenomen. Confronterend, hoewel niemand dat laat blijken. Het gebeurt gewoon dat volgroeide kinderen sterven bij de bevalling. Problemen met de moederkoek, en dan voornamelijk bloedingen, blijken een belangrijke doodsoorzaak te zijn, weet gynaecoloog Aren van Loon.

Naar het ziekenhuis gaat iedereen voor zichzelf. Of voor een naaste. Niemand kijkt om zich heen. Raar is dat natuurlijk niet, want het draait allemaal om jou. Het eindeloze overleggen ontgaat patiënten en bezoekers van het Martini Ziekenhuis. Overleg achter gesloten deuren. In de wandelgangen. Checken of je in de goede richting zit. Voor een buitenstaander lijkt het onzekerheid.

Niets is minder waar. Twee weten meer dan een. Drie is nog beter. Bevestiging is goed. Het aanscherpen van een analyse is nog beter. De twee afdelingen staan bol van deze noodzakelijke – maar tijdrovende – bezigheid. Elke ochtend en aan het eind van de middag wordt er overgedragen. ’Mevrouw heeft’ … ’Vind je ook dat dit moet gebeuren’ … ’Kind heeft die en die medicatie. Dat lijkt me het beste, vind je niet’.

Als er medicatie wordt gegeven, wordt er altijd iemand bij gevraagd. Om te checken of ze de juiste dosering geven. Of ze het juiste middel geven. Allemaal om fouten, die toch worden gemaakt, te voorkomen.

Op de kinderafdeling kijkt de 45-jarige verpleegkundige Carola Mulder uit Groningen achter de balie gespannen voor zich uit. Door het fronsen worden de rimpeltjes rond haar mond en ogen wat zichtbaarder. De adrenaline giert door haar lijf. In de gangen crossen kinderen in autootjes met trappers en driewielers achter elkaar aan.

Carola is vandaag de spoedverpleegkundige. De ambulance is vanuit Leek onderweg met een jong kind. Voor de zekerheid loopt ze naar een van de twee spoedkamers. Op een wit bord krabbelt ze de eerste gegevens. Arnoud Feijn; 2 ½ jaar; 40 graden koorts; versuft; praat minder; geen nekstijf.

Het kan hersenvliesontsteking zijn. Je weet het niet.”

Carola, een van de 33 verpleegkundigen van de kinderafdeling, kent het klappen van de zweep. Een doorgewinterde zuster, halflang lichtbruin haar, met twintig jaar ervaring. Eentje die drie jaar heeft gewerkt op de intensive care voor kinderen in het UMCG. Daar waar heel erg zieke kinderen lagen. Die zelden gezond naar huis gingen. “Dat went nooit”, zegt ze terwijl ze aan haar lichtgroene shirtje plukt. Al die ellende bracht haar weer naar het Martini Ziekenhuis. Ze wil kinderen helpen en resultaat zien. Maar die jaren in het UMCG geven haar zelfvertrouwen. Een ernstig ziek kind is bij mij in goede handen, denkt ze dan. “Goede voorbereiding is het halve werk”, zegt de spoedzuster terwijl ze de extra kleine bloeddrukmeter en draadjes voor aan de monitor alvast klaarlegt.

Als de twee ambulancebroeders Arnoud naar binnen rijden, volgen moeder en oma al snel in hun kielzog. “Hé kerel. Hoe gaat het nou met jou”, vraagt Carola terwijl ze sensors op zijn borst plakt. Ze strijkt even over zijn rechterwang.
Hij heeft een rood oor, vlekjes op zijn lichaam en reageert bijna nergens op. De moeder van Arnoud zit naast de jongen, die bang op de onderzoekstafel ligt. Ze houdt zijn hand vast. Streelt hem en geeft hem zoentjes in zijn haar. Oma geeft summiere informatie aan de inmiddels binnengekomen zaalarts Jorien de Roest, een kleine jonge vrouw met blond haar en brilletje.

“Hij begon te draaien met zijn ogen en het tongetje deed raar”, zegt ze. “Voel je je niet zo lekker Arnoud”, vraagt De Roest. Arnoud heeft geen zin om te praten en draait zijn hoofd naar z’n moeder. “Kom Arnoud, de dokter wil je helpen”, zegt Carola terwijl ze haar mond een beetje tuit. Dat vertrouwt Arnoud wel en hij wil plots ook wel zijn mond opendoen voor de arts-assistent. “Goed zo. Even kijken hoor.” Carola zet het zieke hummeltje nog op de weegschaal en kijkt in zijn ogen. Na wat overleg krijgt Arnoud een zetpil paracetamol tegen de koorts. De jongen knapt zienderogen op.

Samen met moeder en oma wandelt hij een dik uur later weer door de klapdeuren van de kinderafdeling. “Bijzonder hé”, zegt Carola met een glimlach naar de zaalarts. “Komen met de ambulance, lopend het Martini weer uit. En ik blijf met mijn adrenaline zitten.”

HoopVreesGeluk toucherenHet wil maar niet opschieten met Rita. Vijfenhalf uur na haar opname op de verlosafdeling heeft ze drie centimeter ontsluiting. De teleurstelling is van haar gezicht af te lezen. Theo friemelt met zijn handen. Hij kan het ook niet helpen. “Maar uw baarmoedermond is wel heel dun”, zegt verloskundige Joke die haar probeert op te fleuren. “Papierdun”, vraagt Rita. “Nou, dat ook weer niet. Maar wel heel dun.” Joke smeert wat gel op haar blauwe handschoenen. Ze gaat toucheren. “Ik breng nu een vinger in. En daar komt de tweede.” Rita stoot een zacht mmm uit.

“Ze is een bikkel hoor”, zegt verpleegkundige Petra tegen Theo terwijl ze met z’n tweetjes kijken hoe Joke geconcentreerd bezig is. “Ze piept niet zo snel”, zegt hij. Maar het wordt zwaarder. Bij alles wat ze zegt, wordt haar stem aan het einde van de zin zachter. “Dit wordt een lange avond”, kreunt ze. Nog steeds wrijft ze over haar buik. Theo lacht wat. Om haar te bemoedigen. Maar zij kijkt naar het hartfilmpje.

Ik wil niet weer zo lang hoor. Echt niet. Niet weer zo’n hel.”

Wat kan Theo er aan doen? Een uur later gaan de weeënopwekkers naar stand 5,5. Joke en Petra komen nog even langs om afscheid te nemen. Zij gaan de bevalling niet meer doen.
Verpleegkundige Marjan van Baaren (44) uit Roden wandelt direct na de overdracht bij Theo en Rita naar binnen. Bril met rood montuur in het haar. Een verpleegkundige met ruime ervaring. Maakt makkelijk contact en lijkt precies te weten wat ze moet doen. “Hoi, ik ben Marjan. Ik ga je vanavond helpen samen met de doktoren, oké? Komt helemaal goed.” Ook gynaecoloog Heleen Eising en arts-assistent Aniek Boers komen buurten.

Boers, een jonge meid die al heel veel kinderen ter wereld heeft gebracht en dolgraag gynaecoloog wil worden, wil nog eens toucheren. Misschien vordert de ontsluiting. Rita zit er zo langzamerhand doorheen. Eising stelt een ruggenprik, een epidurale pijnbestrijding, voor. Rita zit met haar benen opgetrokken op het bed. Bij elke wee wrijft ze hevig over haar knieën. “Ik heb de hele tijd gezegd dat ik geen ruggenprik wil.”

Als de wee is gaan liggen, trommelt ze op haar buik. Boers haalt haar vingers uit de zwangere vrouw. NVO, mompelt Boers naar de gynaecoloog. Niet Vorderende Ontsluiting. Nog steeds drie centimeter. De ogen van Rita Terstil worden wijder. “Nog steeds drie? Dan is het klaar. Geef me maar zo’n prik. Dit hou ik echt niet vol.” De verpleging brengt haar naar de recovery, waar ze de prik krijgt.

Hé schat. Rustig maar. Het is vervelend schat. Ik weet het. Ach lieverd toch.”

Verpleegkundige Petra Verschoor (43) is op haar best. Ambulancepersoneel van het UMCG heeft net een kereltje – zwaarder dan drie pond is hij niet – naar de afdeling Pasgeborenen van het Martini Ziekenhuis gebracht. Ze draagt Tim over van de ’transportcouv’ naar de andere couveuse.

“Ja schat, heb je weer een nieuw nestje.” Het kleintje kreunt. “Af en toe valt zijn hartslag en de saturatie opeens omlaag”, zegt de oudere ambulancebroeder van de twee. Hij heeft het nog niet gezegd of het alarm gaat af. Petra pakt het beademingsapparaat erbij. Legt het boven zijn hoofdje en kijkt naar de monitor. Maar ’kleine Tim’, bedekt met snoertjes, draden en slangetjes, herstelt zich zelf. Een spalkje aan zijn mini-armpje houdt het infuus op z’n plek. Op zijn buikje zijn drie stickers geplakt. Voor hartslag en ademhaling. Een rood lampje klemt aan zijn voetje om de saturatie – de zuurstof in het bloed – te meten. “Ons niet zo laten schrikken hè, schat. Het komt allemaal goed.” Petra sluit de glazen bak.

HoopVreesGeluk voetje

Petra Verschoor loopt direct door naar Rudolf en zijn moeder Dieke Tammens. Rudolf ligt al acht weken op de afdeling. Binnengebracht toen hij 780 gram woog. Minder dan een pak suiker. Het is aan Dieke af te zien wat er door haar heen ging toen ze wakend bij de ’couv’ van haar mannetje zat. Het neusbrilletje van Rudolf – waar hij zijn zuurstof door krijgt – mag vandaag af. “Oh, je bent nu helemaal vrij.” Verpleegkundige Petra kijkt toe terwijl het kind wordt opgepakt door Dieke. “Grote kans dat hij kerst bij jullie thuis viert.” Dieke straalt. Eindelijk is haar mannetje af van al die enge slangetjes, pleisters en draadjes.

Verpleegkundige Charlotte Tjaarda en gynaecoloog Heleen Eising staan in verloskamer 1 aan het bed, een van de 580 bedden in het Martini, bij Lathitia en Geert Steen uit Gasselternijveen. Ze krijgen hun eerste kind, maar dat is niet aan ze af te zien. Alles doen ze met humor af. Lathitia zegt bij elke wee: ’daar komt er weer een’, om dan haar benen weer vast te pakken achter de knieholtes. “Heel goed. Ik zie al een kruin. Er zit haar op”, zegt Eising. “Het doet zo’n pijn. Oeh, daar komt er weer een. Het lijkt wel een olifant”, schreeuwt ze uit. “Mag ik nu naar huis”, vraagt ze aan Eising.

Je bent bijna klaar. Je doet het echt heel erg goed Lathitia. Kom op!”

Ja, dat zeg je alleen maar.”

“Nee, niks. Als je het niet goed zou doen, zeg ik het ook.” Charlotte pakt nog maar eens een nat washandje en dept daarmee het hoofd van Lathitia. “Je kunt het. Natuurlijk kun je niet naar huis. De pijn ben je straks vergeten. Je kunt het. Gooi al je woede in de wee.”

Maar het duurt te lang. Het kind wil niet komen. Als Eising na tien minuten intensief persen voorzichtig het woord keizersnee laat vallen, gooit Lathitia alles in de strijd. “Kom op. Kom op. Even goed inademen en persen. Kom op. En weer een hap adem en persen!” Dan is eindelijk het hoofd van het kind te zien. Met een handbeweging zorgt Eising dat haar vingers achter de schouder komen, haalt het kind er uit en legt het bij Lathitia op haar buik. “Oh, kijk dan Geert. Kijk dan. Dat is ons mooie smurfje. Kijk dan Geert. Kijk dan. Oh, Geert. Ik ben zo gelukkig.”

Geert straalt. “Wat een mooi zwientje.”

Mensen zijn het puurst bij de bevalling en de dood. Dan laten ze hun echte ik zien, denkt Eising. Verpleegkundige Tjaarda legt het kind direct aan de borst. “Toe maar jongen, drink jij er eens een mooie onderkin bij.” Geert en Lathitia vinden het prachtig. “Hij is nog maar net hier en wil nu al eten. Echt een kind van ons.”

Je ziet het bij elke ouder die met een kind naar het Martini Ziekenhuis komt. De blik. Zwangeren en hun partners hebben het ook. Allemaal, niemand uitgezonderd. Het moet iets van het ziekenhuis zijn. Een omgeving waar je op onbekend terrein bent. Waar dingen gebeuren die soms niet te bevatten zijn. Gynaecoloog en medisch manager van de afdeling Aren van Loon (59) weet precies wat de blik is. Duizenden keren gezien. Een echt woord is er niet voor. Verwachting, hoop, machteloosheid en onzekerheid.