Hoop, vrees en geluk

HoopVreesGeluk geboorteGynaecoloog Sjaak Wijma en gynaecoloog in opleiding Nienke Leffers kijken met z’n tweetjes naar de grote zwarte streep op de buik. Daar gaat Leffers zo haar mes inzetten, om een kind te halen.

Wijma is uit z’n bed gebeld voor de sectio. De zwangere vrouw is bedekt met groene doeken, haar hoofd wordt afgeschermd zodat ze de operatie zelf niet ziet. Wijma kijkt eens over het groene ’scherm’ naar de vrouw. “Het komt goed. We gaan beginnen.”

De operatiekamer, een van de zestien van het ziekenhuis, ruikt naar sterillium waar handen mee worden ontsmet. De vader zit zenuwachtig naast zijn vrouw. Het mes snijdt door de laagjes buikweefsel. Als de buik open ligt, gaan de handen van Wijma en Leffers onder de buikrand. Met alle kracht die ze hebben, leunen ze naar achteren, om de wond op te rekken. Leffers legt de blaas opzij om beter bij de baarmoeder te kunnen. Wijma buigt wat over het schort om te babbelen met de patiënt. Zegt dat het allemaal goed gaat.

In volledige harmonie werkt iedereen samen. Iedereen weet wat zijn of haar taak is, instrumenten worden foutloos doorgegeven, steriele verbandjes geteld. Complete concentratie. Aan de andere kant van het scherm, kijkt de vrouw stil naar het plafond.

Haar man naar haar. Hij ziet niet dat Leffers met haar handen in de baarmoeder van zijn vrouw aan het wroeten is. Ze grijpt nog wat dieper om het met bloed besmeurde kereltje er uit te halen. Het geeft eerst geen kik, maar begint dan te pruttelen en te huilen. De navelstreng wordt doorgeknipt en in één vloeiende beweging wordt de baby overgedragen aan de verpleegkundige, die direct naar een zijkamer van de OK loopt. De vader volgt – tranen in zijn ogen – en kijkt hoe de kinderarts alle functies checkt en de witte smurrie en het bloed van het jongetje afschrobt.

Dan wordt het kind naast de moeder gelegd. Ze schiet direct op de roze wolk, aan de andere kant wordt het gat in haar buik gehecht. Was er net nog de serene rust, nu klinken aan beide kanten stemmen. “Hij heeft voetbalbenen.” Vader knikt. “Moet je morgen nog werken”, vraagt de ene OK-assistent aan de andere. “Nee, ik ben vrij”, zegt ze terwijl ze een nieuw hechtdraadje aangeeft. “Mijn zoontje is morgen jarig.” “O, gefeliciteerd. Mooi joh.”

Als de operatie klaar is, loopt Wijma naar de ouders en feliciteert ze. Hij wrijft wat over zijn blauwe operatiejas.

Wat een mensen hè. Wel tien. Allemaal voor jou aan het werk”,

zegt hij tegen de moeder. Trots dat zijn ziekenhuis in korte tijd al die mensen aan de operatietafel heeft staan. “Fijne avond.” Hij gaat weer naar huis.

’Hallo, wij hebben net een CT-scan laten maken van het hoofd van onze zoon. Hij heeft een klein bultje boven zijn rechteroog.” Bij de balie op de kinderafdeling staan vader, moeder en 16-jarige zoon Mick Geertsema. De jongen van de röntgenfoto. “Kom maar mee”, zegt Carola Mulder. “Heb je nog last.” “Ja, een beetje hoofdpijn. En eergisteren had ik opeens die bult.”

Mick ziet er niet ziek uit. Toch zijn zijn ouders doodongerust. “We hebben nog geen uitslag gezien. De röntgenfoto ook niet. De pijn was niet te harden. Het is geen mietje hoor”, zegt zijn vader. “Het lijkt wel migraine. Heb ik ook gehad.” Carola is na vijf minuutjes terug. “We willen je nog even laten controleren door de kno-arts.” Mick en zijn pa en ma vinden dat goed. Ze zijn er toch. En Mick wil van die irritante bult af. En van die stekende pijn. Dan kan hij weer fatsoenlijk naar school gaan, want hij mist best veel.

Kinderarts Herman Waalkens, een lange man met een vriendelijk gezicht, heeft ondertussen Micks CT-scan gezien. Als hij Carola ziet, zegt hij een beetje geschrokken dat het om een ontsteking gaat in een van zijn holtes boven het oog. “Door het bot gebroken. Als het naar zijn hersenen schiet, is dat niet goed.” Carola schrikt en tuit haar mond. “Levensbedreigend”, herhaalt Carola de woorden van Waalkens. “Hij moet naar het UMCG.” “Met spoed?” “Nou, in ieder geval vanmiddag nog.”

Vijf minuutjes later melden Mick en zijn ouders zich. “Ik ben zo blij dat het geen tumor is”, zegt zijn moeder. “Nou, dan gaan we nu maar naar het andere ziekenhuis. Bedankt hoor.”

Carola enigszins verbaasd over de opluchting achterlatend. Maar tijd om er lang over na te denken heeft ze niet, want het volgende patiëntje komt al weer binnen voor een blindedarmoperatie. “Kijk Trijntje, wat leuk”, zegt de moeder, “jouw naam staat op de deur.”

Het gaat niet goed met Cyrilla Abens, de moeder van Chris, die nog steeds worstelt op de afdeling Pasgeborenen. Ze heeft na haar keizersnede een veel te lage Hb, een van de vele afkortingen die worden gebruikt door het personeel. “Ze kan wel een bloeding hebben”, zegt gynaecoloog Yenny Kurniawan tegen de verpleging. Af en toe loopt ze naar verloskamers om te helpen, maar steeds keert ze terug naar de computer. Wachten op de nieuwe Hb-uitslagen. Plots verschijnen ze. Weer flink gedaald.

Kurniawan staat op, telefoon aan het oor om mensen op te trommelen. In een lijn loopt ze de honderd meter van de verlos naar de kraamkamers, waar mevrouw Abens ligt. “Mevrouw”, zegt ze terwijl ze over het bed hangt. “Uw hemoglobine daalt enorm. U heeft een nabloeding”, fluistert ze in de donkere kraamkamer. Mevrouw weent zachtjes. “We moeten uw buik weer openmaken.” Verpleegkundige Kirsten kijkt bezorgd, houdt de hand van Cyrilla Abens vast en wrijft zachtjes over haar vingers. Haar man in het buitenland, haar kind aan de slangen en draden. “Ik heb mijn jongetje nog maar een keer gezien.” Als Kurniawan de gang oploopt, belt ze om extra zakken bloed te bestellen.

Kurniawan, een kleine vrouw met Aziatisch uiterlijk, bril en zwart haar waar enkele grijze haren doorheen komen, is een echte grappenmaker op de werkvloer. Ze imiteert mensen en heeft de mooiste verhalen. Maar als het er op aankomt, is ze bloedserieus. Zoals bij de operatie van mevrouw Abens. Alleen het hoogst noodzakelijke wordt gezegd. Als Kurniawan, ze staat op een opstapje om er goed bij te kunnen, de buik opensnijdt, ziet ze direct dat ze gelijk had. Ze zuigt de 1,2 liter bloed uit de buik en hecht met haar kleine handen vakkundig alle wondjes.

“Zo, nu wachten we vijf minuten”, zegt ze. Kurniawan stapt terug en gaat met haar armen gekruist in de operatiekamer staan. “Vijf minuten klaar?” De kleine gynaecoloog spreekt uitstekend Nederlands, maar af en toe vergeet ze een woordje. “Nee, zeker nog twee minuten.”

Hè? je maakt grapje zeker.”

Ze speert weer naar de operatietafel. Wachten hoeft niet, want in de buik zit weer bloed. “Waar zit nou nog een wondje? Ik haal baarmoeder omhoog”, zegt ze tegen de OK-assistenten. Dat vereist nogal wat kracht, maar uiteindelijk heeft ze alle bloedingen gestelpt. “Klaar”, zegt ze als de laatste nietjes zijn geschoten. “Dank voor de samenwerking”, roept ze terwijl ze wegloopt. Op naar de volgende nachtklus.

HoopVreesGeluk navelstreng

Rita houdt zich kranig. Ze heeft net een ruggenprik gekregen van de anesthesioloog op de uitslaapkamer. Theo moet blijven wachten in de verloskamer. De prik doet nog niet echt zijn werk. Hmmm… aaahhh… oeeehhh… kreunt ze bij elke wee. Die worden steeds heftiger. Ze ligt inmiddels op haar zij. Langzaam voelt ze het in haar benen, haar tenen. Er wordt nog wat bij gespoten. “Oooh, dat voelt koud”, zegt ze tussen de weeën door.
Verpleegkundige Marjan probeert haar er doorheen te loodsen. Wrijft haar wat over de arm; puft mee. “Je doet het echt heel goed. Ga zo door. Echt heel goed.”
Plots klaagt ze over pijn bij de anus. Verpleegkundige Marjan weet genoeg. Ze pakt haar telefoon en belt gynaecoloog Heleen Eising. Die komt snel naar de recovery, toucheert en voelt het hoofdje al. “Negen centimeter. We gaan weer naar de verlos.”

Alles wordt afgekoppeld en ze wordt naar kamer vijf gebracht, waar Theo verschrikt opkijkt. De kinderarts wordt gebeld en een couveuse wordt in de kamer gezet. Arts-assistent Aniek Boers haalt het uiteinde van het bed; zet samen met Marjan de benensteunen klaar. De verpleegkundigen en artsen trekken een schort aan. Theo staat klaar met zijn telefoontje in een hoekje, alles een beetje te bekijken.

“Kom, joh. Er bij staan”, zegt Eising. Theo, verbaasd, loopt naar Rita. Kijkt pips. “Kom op Rita. Je doet het hartstikke goed”, zegt Heleen Eising. “Fantastisch doe je het”, probeert Aniek Boers. Rita heeft haar benen opgetrokken; de handen achter de knieholtes. Ze perst.

Zo langzaam als het eerst ging, zo snel gaat de bevalling. Boers haalt een grijs kindje met een dikke navelstreng uit Rita en legt hem op haar buik. “Hoi, jochie.” De baby begint gelijk te huilen, wordt opgepakt en schoongemaakt. De kinderarts controleert zijn ademhaling, kleur, reflexen, hartslag en tonus.
De kinderarts wacht op het andere kind. Want Rita en Theo verwachten een tweeling. Vijf minuten later bungelen er voetjes uit Rita. Het kind ligt in een stuit, omgekeerd dus, maar de arts-assistent trekt het kind er behendig uit. Iets kleiner, net zo gezond. Mooi roze. Theo heeft zijn normale kleur weer terug en mag alweer een navelstreng doorknippen.

“Hoi mannetje. Wat zijn jullie mooie mannetjes”, zegt een opgeluchte Rita. Theo loopt liefdevol met een van zijn zoontjes door de kamer. Zachtjes wiegend. Hij legt het kind naast zijn vrouw en belt zijn ouders. Terwijl hij zich over Rita en de tweeling buigt.

Ze benn’n d’r”,

zegt hij trots door de telefoon. Beide jochies hebben een mutsje op met een sticker erop geplakt. Nummer 1 en nummer 2. Totdat de namen bekend zijn.

“Ze benn’n d’r echt.”

EPILOOG Theo en Rita Terstil kregen twee zoontjes van 2880 gram en 2230 gram. Een van de kinderen lag een nacht in de couveuse op de afdeling Pasgeborenen gelegen.
Lathitia Steen kreeg een zoon: Tom. Ze is die avond nog geopereerd. Haar navelstreng bleef vastzitten aan de placenta.
Rudolf Tammens mocht, na weken op de couveuse-afdeling, naar huis.
Freek de Koot ligt nog in het ziekenhuis, maar het gaat de goede kant op.
Cyrilla Abens heeft nog enkele dagen in het ziekenhuis gelegen om aan te sterken. Ze is inmiddels, met haar zoon Chris, thuis.
De 3-jarige Pim maakt het goed. Hij heeft nog steeds aanhoudende darmklachten, maar blijft een vrolijk en levenslustig kereltje. Uit de onderzoeken kwamen geen afwijkingen.
De 16-jarige Mick Geertsema lag drie dagen in het UMCG waar artsen twijfelden of ze hem zouden opereren. De zwelling boven zijn oog is uiteindelijk verdwenen door antibiotica en prednison.
Uit privacy-overwegingen zijn alle namen van patiënten in het verhaal gefingeerd.