Hoop, vrees en geluk

HoopVreesGeluk Echo’s Ochtends rond half negen heeft Van Loon tal van mensen, allemaal met de blik, over de vloer. Maar dan is zijn dag al lang en breed begonnen. Met overleggen, administratie en doorlezen van dossiers. Maar nu is het tijd voor de patiënt, denkt hij, terwijl hij op zijn witte klompen naar de wachtkamer loopt. “U bent er. Fijn. Loopt u met me mee?”

Van Loon is hoffelijk. Een rustige tengere man die gezag en autoriteit uitstraalt. Niet door zijn gedrag, zijn manier van praten of zijn manier van zitten, vaak met de benen over elkaar, de witte klomp bungelend om de tenen van het hangende been. Hij heeft een grote bos grijzend haar. Als een van de 134 artsen van het ziekenhuis corrigeert hij geregeld een arts-assistent of een co. Nooit op een afstraffende manier. Dat je het idee hebt dat je het zelf hebt bedacht, maar het niet hebt gezegd.

Ook naar zijn patiënten bij de poli doet hij het goed. Of ze nu uit lagere sociale klassen komen of juist uit het hogere segment. Alle tijd voor hun vragen. Hij neemt ze serieus. Legt dingen helder uit. Soms eerst met een moeilijk woord of een lastige zin. Onzekere mensen, bijvoorbeeld door eerdere miskramen of ander leed, vinden bij hem een luisterend oor. Maar hij kan ook op zachte wijze mensen wijzen op hun eigen verantwoordelijkheid. “Ik heb het toch gezegd: ik heb liever dat je honderd keer onnodig te vaak belt, dan dat je een keer te laat komt.”

De patiënt knikt verlegen. Het doet hem verdriet. “Mensen wachten te lang. Ik heb te vaak gezien dat mensen al drie dagen geen leven meer voelen in hun buik. En dan pas bellen of langskomen. Omdat ze bloedverlies hebben. Bij dag één had ik er misschien nog wat aan kunnen doen.”

Quod licet lovi, non licet bovi, denkt Van Loon grinnikend als hij even later een bloeddrukmeter over de lange mouw van een vrouw wikkelt. Zijn mondhoeken krullen. Wat God mag, mag een rund nog niet. “Dit mogen de arts-assistenten niet zo van mij doen hoor. Die moeten de mouwen opstropen”, zegt hij tegen de vrouw. Niet dat de arts-assistenten runderen zijn. Absoluut niet. Hij bedoelt: wat de baas mag, dat mag zijn tweede man of vrouw niet zo doen.

“Uw bloeddruk is goed. Komt u mee naar het echo-apparaat?” “Ja, maar ik heb nog een vraag. Als het een keizersnee wordt. Doet u die dan?” Van Loon denkt even na. “Dat kan ik niet beloven. Ik heb maar twee handen en één hoofd. Wat ik wel kan beloven is dat degene die de keizersnede doet, het ook kan en mág doen.”

Zijn spreekkamer heeft een blauw scheidingswandje. Daarachter staat een klein echo-apparaat. Bij de computer hangt een grote kaart aan de muur die laat zien hoe een spermacel groeit tot een baby. “Doet u uw shirt maar omhoog. Pas op hoor. Dit is koud”, zegt Van Loon terwijl hij de blauwe Aquasoniq – ultrasound transmission gel – op haar buik smeert. Bij het echoapparaat meet hij de omtrek van het hoofd. Hij scrollt over het schermpje.

“Kijk, daar is het hoofdje. Ziet er goed uit hoor. En het hartje. De hartkamers. Daar zit het bovenbeentje. Weet u al wat het is?” “Ja, een jongetje.” “Dat weet ik. Kijk maar, daar ziet u de balletjes en een stukje van de penis.” Hij krult zijn mondhoeken weer.

Tijd om te eten is er nauwelijks, terwijl de diensten lang zijn. Maaltijden staan vaak uren onaangeroerd in de magnetron. Als Van Loon ’s avonds in de verpleegkundigenruimte achter de balie eindelijk begint aan zijn aardappeltjes en vlees, komen een arts-assistent en een leerling-verloskundige binnen. “We hebben net een bevalling gedaan en er zat iets in de placenta, maar we hebben geen idee wat. Het is wit.” Van Loon knikt alleen maar. De arts-assistent houdt het ’iets’ in een bakje achter haar rug. De gynaecoloog is wel aan het eten. “Ik kijk zo even, oké?”

Van Loon kijkt even later peinzend naar het bakje. Zijn mond versmalt tot een streep. Het witte ’iets’ blijkt een foetus. Van zo’n elf weken oud. Weggedrukt door het andere, wel gezonde kind. Er zijn beentjes te zien en een klein zwart puntje. Een oog in ontwikkeling. “Vanishing twin”, zegt de gynaecoloog. Tja, moet je ouders die net een gezond kind ter wereld hebben gebracht, vertellen dat er een tweede kind in de buik zat. Van Loon staart naar de monitoren. Niemand die hem stoort. Of dat waagt. Na een half uurtje staat hij op en loopt naar de verloskamer. Hij vertelt het de ouders.

Spoedverpleegkundige Carola heeft net acht kleurige letters op de witte deur van een van de patiëntenkamers op de kinderafdeling geplakt. Trijntje, staat er. De magneetletters moeten haar komst wat opleuken. Ze kan elk moment binnenkomen.

Kinderen van drie maanden tot achttien jaar liggen op 2G. Ze spelen op spelcomputers, kijken films, bewonderen de sterspelers van FC Groningen op kleine posters op de muur en rotzooien met speelgoed. 23 zieke kinderen kan de afdeling herbergen. Vandaag zijn het er dertien.

Carola haalt de 3-jarige Pim weer op uit de speelkamer voor de allerjongsten. “Kom je weer mee Pim? We moeten weer.” Zonder morren legt Pim zijn speelgoed aan de kant. Vader Thijs Stuten gaat mee. Pim heeft een darmprobleem en is mogelijk overgevoelig voor melksuiker. Al ruim een jaar. “Je hoeft niet meer zo’n drankje hoor”, zegt Carola. Het maakt hem niks uit. Het smaakte naar zand, maar Pim is dapper. Dus als hij weer zo’n lactosedrankje moet drinken, dan doet hij dat. “Dit is al je derde keer. We kijken even waar het drankje is gebleven in jouw maag.”

Carola plaatst een knijper op zijn neus en een H2-meter op zijn gezichtje. Pim zit bij zijn vader op schoot. Hij blaast, zucht, glimlacht en ademt zwaar in het apparaat dat een paar minuten op zijn mond is geplaatst.

“Normaal ademen hoor”, zegt Carola liefjes. Als het bijna afgelopen is, telt ze tot tien. “Je doet het hartstikke goed lieverd.” Pim glimlacht. “Klaar alweer. Nog drie keer, dan krijg je een cadeautje.” Een half uur later lopen Carola en Pim weer door de lange gang naar de onderzoekskamer.

Dat herhaalt zich nog twee keer. Pim weet nog precies wat de belofte van de zuster was: een cadeautje. Hij grabbelt en grabbelt in de ton. Een stempelblokje is zijn prijs. Toch is het nog niet afgelopen voor de kleine man. Carola wil een zalfje op zijn armen smeren. “Tegen de pijn voor de prik straks”, fluistert ze. “Mag het alsjeblieft niet”, vraagt Pim. “Prikje. Alsjeblieft niet.” Het jochie met zijn mooie bruine haartjes, lief gezichtje, begint keihard te brullen. “Je krijgt geen prikje van mij hoor”, probeert Carola nog.

Ik smeer alleen toverzalf op je armpjes. Dan voel je het prikje niet.”

Het werkt. De ’toverzalf’ mag op z’n armpjes.

Een bevalling is een ’major life event’. Een vrouw onthoudt alles, zegt gynaecoloog Aren van Loon. Wat voor kleren je man droeg, wat voor weer het was. “Zelf weet ik alles nog van de bevalling van mijn kinderen. Kan letterlijk alles zo weer terughalen.” Dat heeft hij met lang niet elke patiënt.

HoopVreesGeluk verplegingIn de kamer van Van Loon zit Siska Trap voor controle. Een opgewekte vrouw die aan een stuk door praat. Het is vrijdagochtend half tien. “Zo, hoe gaat het met je”, vraagt Van Loon. Het is overduidelijk dat zij een patiënt is bij wie hij zich op zijn gemak voelt. “Goed, goed, goed.” Van Loon herinnert zich de ’casus Trap’ alsof het om de bevalling van zijn eigen kinderen gaat.

Trap was 42 weken zwanger toen ze beviel van een dochtertje. “Dat ging snel, hè?” Ze knikt en neemt het verhaal over. “Maar ik bleef maar bloeden. Wat jullie ook deden. Uiteindelijk belandde ik in de operatiekamer.” Van Loon: “We hebben je vier uur geopereerd.” Er valt een stilte. “Twaalf liter bloed verliezen is veel.” Zij knikt. “Tijdens de operatie dacht ik op een bepaald moment: ik ga haar verliezen. Wat ik ook doe, het stopt niet met bloeden.” Had hij iets dicht, dan schoot het bloed er zo aan de andere kant uit. “Het kwam er als water uit.”

Ik had een engeltje op m’n schouder”, zegt Siska.

Ze aait Van Loon af en toe over zijn blote onderarm, terwijl hij dingen in de computer invoert en zij maar praat en praat. Alsof ze het polibezoek wil rekken. “Ik ben zo’n fan van dokter Van Loon. Zo blij en dankbaar met mijn leven.” Alleen zijn mondhoeken krullen. Als het voorbij is, omhelst ze de dokter. Ze geeft hem een zoen op de rechterwang. Van Loon pakt haar alleen bij de schouder vast. De afstand moet blijven, zie je hem denken. Als ze wegloopt uit de spreekkamer, mompelt hij ’schitterend mens’.

Het is bevlogenheid. Pure passie is de basis waarop doktoren, verloskundigen en vooral ook verpleegkundigen hun werk in het Martini Ziekenhuis uitvoeren. Niemand laat zich gek maken. In volledige rust, terwijl de omgeving ongerust is, oefenen ze hun vak uit. Het levert waardering op. Dat zien ze iedere keer weer in de ogen van patiënten en ouders. Daar doen ze het voor, zeggen ze dan.

Niet voor de beloning, want die is schraal. Het geld dat ze elke maand op de bankrekening krijgen bijgeschreven, staat in geen verhouding tot hun inspanningen. De verpleging leeft van de onregelmatige diensten. Die leveren nog wat op. Maar het steekt dat ze netto niet veel geld overhouden terwijl de verantwoordelijkheden immens zijn. “Toch is het een fijn ziekenhuis”, zegt verpleegkundige Charlotte Tjaarda tegen gynaecoloog Heleen Eising, die er nog maar net werkt, maar dat wel ziet. Zakelijk, maar een fijne werksfeer. Een wereld in een wereld. Als je aan het werk bent, krijg je weinig mee van de buiten. Een wereld met eigen gebruiken, regels en omgangsvormen. Waar de lijntjes kort zijn. Iedereen kent zijn of haar verantwoordelijkheden.

“Vroeger deed de arts z’n visite alleen met de hoofdzuster”, herinnert Tjaarda zich. “Dan had je maar één opdracht. Zorgen dat je niet in de weg stond als de dokter door het gangpad liep.” Eising heeft die tijd niet meegemaakt, maar lacht er smakelijk om. Als er geen patiënten bij zijn, ziet ze juist dat iedereen elkaar met de voornaam aanspreekt, met elkaar lacht, verhalen deelt.

Verpleegkundige Petra Verschoor is bezig met Christian. Het mannetje is vrijdagochtend met een keizersnede ter wereld gekomen, en heeft opstartproblemen. Hij ligt in de couveuse, ademt zwaar. Het is eigenlijk meer reutelen. “Och schat. Hoe gaat het nou toch”, zegt ze binnensmonds terwijl ze haar hand door een steekgat steekt en om zijn hoofdje legt.
“Daar worden ze rustig van”, zegt ze tegen een student. Met de andere hand gaat ze naar het mondje waar ze haar pink insteekt. Maar Christian wordt niks beter. Zijn buik gaat fors op en neer. Ze besluit om hem te ’sprieten’. Een buis – in de vorm van een omgekeerde wichelroede – wordt in zijn neus gestopt. Het kind krijst. “Ja, ik weet het jongen. Sorry, maar ik doe het voor jou.”

Het jochie mept uit alle macht om de spriet uit de neus te krijgen. “Op hoop van zegen”, zegt Petra.

Tien meter verderop kijken Gijs en Maartje de Koot uit Delfzijl naar hun zoontje Freek. Ook hij hangt in de ’couv’ aan alle mogelijke snoeren en draadjes. Overrompeld dat het jochie na 32 weken, veel te vroeg, werd geboren. Geen beschuit met muisjes voor hen. Maar rauwe informatie over de toestand van hun kind. Van tijd tot tijd gaat zijn alarm af. Petra of een van de andere verpleegkundigen, ze zijn altijd met twee man op de zaal, komen dan direct kijken.

Vooral Maartje is verdrietig. Blij dat hij er nog is, maar verdrietig dat ze zo weinig met hem kunnen doen. Het drukt op hun gemoed dat hun zoontje Freek zo’n zware overlevingsstrijd moet leveren. Hij ligt al een paar dagen op de afdeling pasgeborenen. Vandaag, een vrijdag, mogen ze hem voor het eerst – met draadjes en slangetjes – in bad doen.

Freek krijgt fototherapie. Hij ligt onder een blauwe lamp omdat hij te veel bilirubine in zijn bloed heeft. Zijn lever werkt niet optimaal. Zijn lijfje is wat gelig. Een brilletje beschermt zijn ogen tegen het ultraviolette licht. ’s Nachts lijkt de ’couv’ door het felle blauwe licht net een ufo. Het licht, en extra vocht, zorgen dat schadelijke stoffen onschadelijk worden gemaakt. “Wij moeten elke avond ons kindje weer verlaten. Dan gaan we naar huis”, vertelt Maartje. “Ik word elke nacht wakker. Dan bel ik naar de afdeling, om te vragen hoe het gaat. Anders kan ik niet meer slapen.”

Kinderarts Guus Stouthamer komt kijken hoe het gaat met Christian, het jongetje van de keizersnee. Petra is ongerust. Ze oppert dat hij misschien naar een ander ziekenhuis moet. Stouthamer hoort het aan, wikt, weegt, maar blijft rustig. “Laten we een infuus prikken, een scan maken van het hoofd en de gassen meten.” Christian, nog geen dag oud, krijgt een naald, zo lang als zijn voetje, in een armpje geprikt. De arts-assistent doet het met souplesse en gemak, zodat Christian zo min mogelijk last heeft. Hij krijgt nog wat druppeltjes saccharum, suikerwater dat de zuigelingen een beetje verdooft. “Op hoop van zegen”, zegt Petra nog maar eens.